Welkom, goed dat je weer leest.
Soms zit je hoofd voller dan je inbox. En soms is het precies andersom.
De eerste weken van dit jaar waren bij mij vooral dat laatste.
Mijn mailbox liep langzaam maar zeker vol. Niet met nieuwsbrieven of cc’s, maar met dingen waar ik echt nog iets mee moest. Ik werk al jaren met een simpel systeem in Outlook: alles waar nog actie op nodig is krijgt een vlaggetje. Zodra ik even tijd heb tussen afspraken door filter ik m’n inbox op ‘flag’ en ga ik vlaggetjes wegwerken.
Deze week besloot ik iets nieuws te proberen: Copilot in Outlook.
Het idee is natuurlijk verleidelijk: AI die je helpt je mailbox sneller weg te werken. Samenvatten, voorstellen doen voor antwoorden, sneller reageren.
En eerlijk is eerlijk: het werkt.
Maar daar is het ook wel een beetje mee gezegd.
Wat voor mij uiteindelijk nog steeds het beste werkt is de ‘good old’ methode: een mail kopiëren naar ChatGPT Enterprise, kort aangeven wat de context is, wat je wilt zeggen, laten meedenken over een antwoord en dat vervolgens weer terug kopiëren naar Outlook.
Niet heel elegant misschien, maar wel effectief.
En het belangrijkste: het helpt.
Want inmiddels komt het einde van die vlaggenlijst in zicht. En dat gevoel is heerlijk. Alsof er weer wat ruimte ontstaat in je hoofd.
Tussen het wegwerken van de laatste vlaggetjes door kwam ik deze week twee onderwerpen tegen die goed passen bij waar Mediakompas over gaat
Het eerste begon met een podcast die ik luisterde: de Media Innovatie Podcast van DPG Media. Daarin bespreken Marleen Stikker en Ocky Wiemeijer het experiment van NU.nl met een eigen sociale server, gebaseerd op het BlueSky-protocol. Het gesprek gaat niet alleen over dat experiment, maar vooral over een grotere vraag: hoe komen media los van de infrastructuur van Big Tech? En wat betekent dat voor de toekomst van het internet?
Het tweede onderwerp komt uit een bezoek aan Google en YouTube in Amsterdam afgelopen week. Daar presenteerde YouTube hoe het platform zich ontwikkelt voor mediabedrijven. Wat opvalt: YouTube schuift steeds meer richting televisie, longform content wordt belangrijker en archief blijkt een van de krachtigste groeimotoren.
Twee verschillende verhalen.
Maar ze raken uiteindelijk dezelfde vraag: hoe behouden media hun relatie met het publiek in een landschap dat steeds meer door platforms wordt bepaald.
Welkom bij Mediakompas.
Waarom NU.nl experimenteert met een eigen sociale mediaserver en wat dit voor de gehele journalistiek kan betekenen




Deze week luisterde ik naar een aflevering van de Media Innovatie Podcast. Niet omdat ik standaard elke aflevering volg, maar omdat het onderwerp mij erg aanspreekt: loskomen van de platformen van de grote techbedrijven.
Dat is een vraag die de afgelopen jaren steeds urgenter is geworden voor media. Journalistiek wordt gemaakt door redacties, maar het bereik en het gesprek erover worden steeds vaker bepaald door platformen als Meta, X en TikTok.
In de podcast ging het gesprek daarover met twee gasten: Ocky Wiemeijer, Head of Product bij NU.nl, en Marleen Stikker, internetpionier en directeur van Waag Futurelab. Wat begon als een gesprek over een productexperiment bij NU.nl, groeide gaandeweg uit tot een bredere discussie over macht, infrastructuur en de toekomst van het internet.
Aanleiding is een experiment van NU.nl dat op het eerste gezicht klein lijkt, maar strategisch interessant is: een eigen sociale feed in de NU.nl-app, gebaseerd op open protocollen uit het zogenoemde Fediverse.
Het idee daarachter is simpel, maar potentieel ingrijpend:
kunnen media het gesprek rond hun journalistiek weer dichter bij hun eigen omgeving brengen, zonder volledig afhankelijk te blijven van Big Tech?
Het probleem: journalistiek maken, maar het gesprek elders voeren
Wiemeijer beschrijft een situatie die voor vrijwel alle mediabedrijven herkenbaar is.
Journalisten maken verhalen. Media investeren in redacties, verslaggeving en expertise. Maar het gesprek over die journalistiek vindt vaak plaats op platformen van anderen.
Facebook, Instagram en X zijn jarenlang de plekken geworden waar artikelen worden gedeeld, waar discussie ontstaat en waar publiek zich verzamelt. Media hebben daar publiek opgebouwd, maar tegelijk ook een afhankelijkheid.
Volgens Wiemeijer is die relatie inmiddels scheef.
Niet alleen omdat platforms de distributie bepalen via algoritmes, maar ook omdat het verdienmodel en de interactie rondom journalistiek buiten de media zelf plaatsvinden. Media leveren de inhoud, maar het platform beheert het gesprek.
En dat wordt problematischer nu de platforms steeds minder verkeer terugsturen naar de oorspronkelijke bron.
De tijd waarin sociale media een belangrijke bron van doorverkeer waren, lijkt voorbij. Platforms zijn steeds meer ontworpen om gebruikers binnen het platform te houden, niet om ze door te sturen naar nieuwsorganisaties.
Voor mediabedrijven betekent dat: minder controle over bereik, minder directe relatie met het publiek en minder inzicht in hoe journalistiek wordt ontvangen.
Een alternatief model: sociale media zoals e-mail werkt
Het experiment van NU.nl probeert een andere richting te verkennen.
De technologie waar het op gebaseerd is, komt uit het Fediverse: een netwerk van sociale platforms die met elkaar kunnen communiceren via open protocollen. Het idee daarachter lijkt op hoe e-mail werkt.
Je kunt vanuit Gmail mailen naar iemand met Outlook of Proton. Iedereen gebruikt zijn eigen software, maar de berichten kunnen elkaar wel bereiken.
Sociale media zijn daar juist het tegenovergestelde van geworden. Platforms als Facebook, Instagram en X functioneren als gesloten ecosystemen. Alles wat je daar opbouwt — volgers, interactie, bereik — blijft binnen die muren.
Het Fediverse probeert dat model te doorbreken.
In plaats van één centraal platform ontstaat een netwerk van kleinere servers en diensten die met elkaar kunnen praten. Gebruikers kunnen hun identiteit en netwerk meenemen als ze overstappen naar een andere server.
Dat klinkt technisch, maar het onderliggende idee is simpel:
sociale media hoeven niet per se eigendom te zijn van één platformbedrijf.
Wat NU.nl concreet doet
NU.nl heeft op basis van die technologie een experiment gebouwd in de eigen app.
Daarin verschijnt een feed met posts van NU.nl-journalisten, vergelijkbaar met wat zij normaal op sociale media delen. Die berichten komen uit een federaal netwerk, bijvoorbeeld via Bluesky.
Het verschil is dat het gesprek daarmee niet uitsluitend op externe platforms plaatsvindt, maar ook zichtbaar wordt binnen de NU.nl-omgeving zelf.
Belangrijk is dat dit geen nieuw sociaal netwerk is dat publiek moet veroveren. Gebruikers hoeven zich ook niet bewust te zijn van het Fediverse of de onderliggende technologie.
Voor hen is het simpelweg een extra feed in de app.
Dat is bewust zo ontworpen. Alternatieven voor bestaande platforms stranden vaak omdat ze gebruikers vragen hun gedrag volledig te veranderen. Dit experiment probeert juist binnen bestaande mediaproducten een andere infrastructuur te introduceren.
Meer zichtbare journalisten, meer vertrouwen
Volgens Wiemeijer levert het experiment nu al twee interessante inzichten op.
Ten eerste blijkt dat een deel van het publiek de feed daadwerkelijk gebruikt. Zelfs zonder grote promotie openen gebruikers hem dagelijks.
Ten tweede blijkt dat het zichtbaar maken van journalisten effect heeft op vertrouwen in het medium.
NU.nl heeft traditioneel een vrij neutraal en anoniem profiel. Artikelen staan centraal, minder de mensen die ze maken. De feed laat juist de verslaggevers zien: waar ze aan werken, wat ze volgen, waar ze verslag doen.
In een tijd waarin AI-gegenereerde content en synthetische informatie steeds realistischer worden, kan dat belangrijker worden dan het lijkt.
Journalistiek wordt niet alleen beoordeeld op het eindproduct, maar ook op de zichtbaarheid van het proces en de mensen erachter.
Een feed waarin journalisten hun expertise en aanwezigheid laten zien, kan daarmee een vorm van bewijs worden: hier werken echte mensen, met kennis van zaken en toegang tot bronnen.
De grotere vraag: wie beheert het publieke gesprek?
In de podcast verbindt Marleen Stikker het experiment van NU.nl aan een bredere discussie over de infrastructuur van het internet.
Volgens haar is het oorspronkelijke internet ontworpen als een gedistribueerd netwerk waarin communicatie niet centraal werd gecontroleerd. In de afgelopen twintig jaar zijn veel van die functies echter geconcentreerd geraakt bij een klein aantal platformbedrijven.
Dat heeft gevolgen voor journalistiek, maar ook voor democratie en publieke communicatie.
Als het publieke debat grotendeels plaatsvindt op platforms die worden gestuurd door commerciële algoritmes en bedrijfsbelangen, verschuift ook de macht over dat debat.
Initiatieven rond het Fediverse proberen daarom niet alleen een technisch alternatief te bouwen, maar ook een andere vorm van governance: systemen die niet volledig afhankelijk zijn van één bedrijf of platform.
Voor media betekent dat opnieuw nadenken over hun rol in die infrastructuur.
Geen revolutie, maar een tweede spoor
Toch verwacht niemand dat media morgen massaal vertrekken van grote platforms.
De realiteit is dat het publiek daar zit. Netwerkeffecten zijn sterk. En sociale media blijven belangrijke kanalen voor bereik.
Stikker noemt het daarom een transitieperiode. Nieuwe systemen zullen waarschijnlijk naast bestaande platforms bestaan.
Dat betekent dat media voorlopig op twee sporen werken:
aanwezig blijven op platforms waar het publiek zit
tegelijk investeren in infrastructuur die meer autonomie geeft
Het experiment van NU.nl past precies in dat dubbele spoor.
Het probeert niet om Facebook of X te vervangen, maar om een eigen plek voor interactie rond journalistiek te bouwen, binnen de eigen omgeving. Een afslag die we bij de EO ook zijn ingeslagen: we gebruiken nu nog de algoritmes die ons verkeer brengen, maar zijn ondertussen hard onze eigen communities aan het bouwen.
Waarom dit experiment ertoe doet
Op het eerste gezicht is dit een klein productexperiment. Een extra feed in een nieuwsapp.
Maar onder die functionaliteit ligt een grotere strategische vraag: hoe afhankelijk willen media blijven van platforms voor hun relatie met het publiek?
De afgelopen vijftien jaar hebben platforms een steeds grotere rol gekregen in distributie, interactie en bereik. Tegelijk is duidelijk geworden dat die afhankelijkheid risico’s heeft.
Experimenten zoals dat van NU.nl zijn daarom interessant, niet omdat ze meteen een nieuw sociaal netwerk opleveren, maar omdat ze laten zien dat media opnieuw nadenken over hun positie in het digitale ecosysteem.
Niet alleen als producent van journalistiek.
Maar ook als beheerder van de plek waar het gesprek daarover plaatsvindt.
➜ Luister Media Innovatie Podcast (waardering voor de hosts Lars Anderson en Philippe Remarque, die presenteren het zeer aangenaam, waardoor het fijn luisteren is!)
Youtube in 2026: archiefcontent moet voor meer kijktijd gaan zorgen, en dan vooral op een plek waar je het niet direct verwacht: je tv!
Deze week was ik te gast op het hoofdkantoor van Google in Amsterdam voor een presentatie van YouTube voor publieke omroepen. De bijeenkomst stond in het teken van een simpele maar belangrijke vraag: hoe ontwikkelt YouTube zich als platform voor mediabedrijven en waar liggen de kansen voor de komende jaren?
In de presentatie namen Country Manager Benelux Sam Vergauwen en Strategic Partner Manager Wally Ahmady redacties en kanaalmanagers mee door wat zij zelf de “State of YouTube” noemen.
Wat vooral opvalt: YouTube verandert snel, maar niet op de manier die veel redacties verwachten.
De grootste verschuivingen hebben te maken met drie dingen:
YouTube wordt steeds meer een tv-platform
longform video wint aan belang
en mediabedrijven moeten opnieuw leren kijken naar hun archieven
Samen veranderen die ontwikkelingen de rol van YouTube voor journalistiek en media.
YouTube wordt steeds meer televisie
Een van de opvallendste cijfers uit de presentatie: bij veel kanalen komt inmiddels meer dan 40 procent van de kijktijd via televisieschermen.
Vijf jaar geleden lag dat rond de tien procent.
Die verschuiving heeft grote gevolgen voor contentstrategie. Want waar YouTube lange tijd een mobiel platform was, verschuift het kijkgedrag steeds meer naar de huiskamer.
Dat betekent dat redacties anders moeten produceren:
thumbnails moeten ook leesbaar zijn op tv
beeldkwaliteit wordt belangrijker
en langere video’s werken beter
YouTube adviseert mediabedrijven daarom om standaard in 4K te uploaden, zelfs als het bronmateriaal HD is.
Minder video’s, maar meer kijktijd
Tegelijk verandert ook het kijkgedrag op het platform. Waar mensen vroeger meerdere korte video’s achter elkaar bekeken, kijken ze nu minder video’s per sessie maar wel langer. Daardoor wordt kijktijd belangrijker dan losse views.
In de cijfers van YouTube blijkt dat:
slechts 18 procent van alle uploads langer is dan acht minuten
maar dat die video’s 75 procent van de totale kijktijd genereren
Voor redacties betekent dat een duidelijke verschuiving.
Shorts blijven belangrijk voor bereik, maar longform video zorgt voor de meeste kijktijd en merkbinding. Succesvolle kanalen laten dat ook zien. Zo groeiden onder andere BOOS, 3voor12 en Tegenlicht sterk door een strategie van langere video’s, multiformat distributie en slim gebruik van archiefmateriaal.
Archief wordt opnieuw strategisch
Misschien wel het belangrijkste inzicht uit de presentatie: YouTube hamert steeds sterker op archief. Volgens het platform komt 55 procent van de totale kijktijd van video’s die ouder zijn dan een jaar. Dat maakt YouTube fundamenteel anders dan andere sociale platforms. Waar een TikTok-video na enkele dagen verdwijnt, kan een YouTube-video jaren later nog nieuwe kijkers vinden. Voor mediabedrijven met grote archieven is dat een strategisch voordeel.
Niet alleen omdat archiefcontent goedkoop beschikbaar is, maar vooral omdat het structureel kijktijd kan blijven genereren. Kanalen zoals 3voor12 en Beste Zangers laten zien dat het hergebruik van archief en longform video een bewezen groeistrategie is.
YouTube gaat dat binnenkort zelfs verder faciliteren. Het platform werkt aan een nieuwe functie waarmee kanalen automatisch 24/7 livestreams kunnen maken van archiefmateriaal. In feite ontstaat zo een soort eigen tv-kanaal binnen YouTube. Volgens het platform kan zo’n continue livestream kijkers langer vasthouden en de totale kijktijd aanzienlijk verhogen.
Van trending naar groei
Een andere opvallende verandering zit in hoe YouTube succes meet.
De bekende Trending-tab is afgeschaft. In plaats daarvan introduceert YouTube de Hype-functie, die kleinere kanalen helpt om sneller zichtbaarheid te krijgen. De focus verschuift daarmee van wat al populair is naar welke kanalen groeipotentieel hebben.
Volgens YouTube heeft die strategie al effect:
er zijn inmiddels 243 publieke omroepkanalen actief op het platform
en 193 kanalen laten sterke groei zien
Zelf zagen we dat ook toen we vorig jaar de kanalen van Dit is de Kwestie en De Spindoctors lanceerden. Met relatief weinig abonnees konden we via de Hype-functie toch snel een groot publiek bereiken. De knop lijkt dus daadwerkelijk te werken.
YouTube experimenteert met nieuwe sociale functies
Naast contentstrategie introduceert YouTube ook nieuwe interactietools.
Een daarvan is Pebbles, een messagingfunctie binnen de app. Gebruikers kunnen video’s rechtstreeks naar elkaar sturen en erop reageren. Voor creators is dat interessant omdat alle interacties meetellen als engagement. En engagement blijft een belangrijk signaal voor het algoritme. Nederland is een van de eerste landen waar deze functie beschikbaar is. Er zit wel een beperking op: gebruikers moeten elkaar eerst via een extern kanaal uitnodigen voordat ze binnen YouTube berichten kunnen sturen. Dat kan de adoptie vertragen. Ik twijfel of deze functie houdbaar is, of überhaupt wordt.
YouTube wordt een steeds belangrijkere nieuwsbron
Voor journalistieke redacties is vooral de ontwikkeling van de nieuwssectie interessant.
Die is volledig vernieuwd.
In plaats van één overzicht werkt YouTube nu met verschillende segmenten, zoals:
Live nieuws
Stories
Shorts
en podcastfragmenten
Daarmee erkent het platform expliciet dat video voor jongere generaties steeds vaker een primaire nieuwsbron wordt. Onderzoeksjournalistiek en diepgaande nieuwsthema’s blijken daarbij opvallend goed te presteren.
Voor redacties liggen hier duidelijke kansen:
programmeer content die aansluit bij de nieuwe nieuwssegmenten
experimenteer met verticale livestreams, bijvoorbeeld voor Q&A’s of verkiezingsduidingen
en combineer verschillende formats zoals shorts, longform en podcasts
Redacties die dat niet doen lopen het risico minder zichtbaar te worden in de nieuwe nieuwsomgeving van het platform.
Publiek opbouwen gebeurt ook in communities
Tot slot hamert YouTube sterk op communityvorming. De ‘nieuwe’ Communities-functie maakt het mogelijk dat kijkers zelf posts plaatsen, reageren en met elkaar discussiëren rond een kanaal. Volgens YouTube is dat een van de meest onderschatte groeifactoren. Kanalen die actief communitytools gebruiken groeien aantoonbaar sneller.
Voorbeelden binnen de publieke omroep zijn onder meer NPO Zapp, VPRO Tegenlicht en Zembla, waar community-interactie duidelijk samenhangt met groei in abonnees en engagement.
De boodschap van YouTube is dan ook simpel: redacties moeten deze tools actief gebruiken. Wie dat niet doet, mist een kans om een sterkere band met het publiek op te bouwen.
Wat dit betekent voor journalistieke redacties
Als je alle ontwikkelingen naast elkaar legt, ontstaat een duidelijk beeld.
YouTube beweegt steeds verder richting een hybride platform waar televisie, streaming en social video samenkomen.
Voor journalistieke redacties betekent dat drie dingen.
Denk tv-first bij video.
Investeer in longform content.
En onderschat vooral je archief niet.
Of zoals YouTube het zelf samenvatte tijdens de presentatie.
De belangrijkste strategie voor mediabedrijven op het platform bestaat momenteel uit drie woorden:
Archief. Archief. Archief.
👀 Gezien en gelezen:
WhatsApp moet open. WhatsApp heeft voor het eerst een functie toegevoegd waarmee je kunt chatten met gebruikers van een andere app. De eerste koppeling is met BirdyChat, een kleine chatdienst uit Letland. Dat gebeurt niet vrijwillig. Het moet van de Europese Digital Markets Act (DMA). Het idee achter die wet: grote platforms moeten hun infrastructuur openen, zodat nieuwe spelers makkelijker kunnen toetreden. De ambitie: chatapps zouden uiteindelijk moeten werken zoals e-mail. Het maakt dan niet meer uit of je Gmail, Outlook of een andere dienst gebruikt. Je kunt elkaar altijd bereiken. In de praktijk is dat nog ver weg. Voor echte impact moeten ook grotere spelers meedoen, zoals Signal of iMessage. En dat gebeurt voorlopig niet. Toch is dit een interessante eerste stap. Want als interoperabiliteit echt doorzet, raakt dat een van de sterkste wapens van grote platforms: het netwerk-effect. De reden dat iedereen op WhatsApp zit, is immers dat iedereen op WhatsApp zit. Europa probeert dat systeem nu open te breken en dat is goed nieuws. ➜ Artikel bij NOS
Gemeentelijke chatbots beantwoorden nog geen 10% van de vragen goed.
Onderzoekers Wiep Hamstra en Jules Ernst testten chatbots op websites van 39 gemeenten met acht eenvoudige vragen, zoals wanneer het huisvuil wordt opgehaald. Van de 312 vragen werden er slechts 32 correct beantwoord. In veel gevallen kreeg de gebruiker alleen een link naar een andere pagina. Het probleem zit niet alleen in de technologie. Chatbots werken alleen goed als de onderliggende informatie actueel en goed gestructureerd is. Als content verouderd raakt of slecht vindbaar is, kan een chatbot dat niet oplossen.Volgens de onderzoekers spreken inwoners bovendien liever met een mens, omdat chatbots vaak nuance missen. ➜ Bericht bij Omroep Gelderland ➜ Hele onderzoek bij Digimonitor
De AI-impact is nog klein. Maar het potentieel is enorm. Op LinkedIn wees Olaf Lemmens deze week op een interessante grafiek uit de nieuwe AI Exposure Index van Anthropic. De grafiek laat twee vlakken zien: paars voor wat AI theoretisch al kan, en geel voor wat er daadwerkelijk in werk wordt gebruikt. Dat gele vlak is nog verrassend klein. In sectoren zoals informatica, financiën en administratie kan AI volgens het rapport al een groot deel van de taken uitvoeren. Bij developers zou zelfs zo’n 75 procent van het werk met AI ondersteund kunnen worden. Praktische beroepen zoals koks, monteurs en barista’s blijven voorlopig vrijwel buiten schot. Opvallend is dat de impact op de arbeidsmarkt nog nauwelijks zichtbaar is. Bedrijven ontslaan geen grote groepen mensen, maar nemen wel minder nieuwe medewerkers aan. Vooral starters in kenniswerk merken dat. Bloomberg rapporteerde onlangs zelfs het laagste aantal white-collar vacatures sinds 2015. De conclusie uit de grafiek is eigenlijk simpel: we zitten nog maar aan het begin. Het verschil tussen wat AI kan en wat we daadwerkelijk gebruiken is nog groot. Maar dat gele vlak groeit langzaam. ➜ Hele onderzoek bij Anthropic.
Je hebt het einde van de nieuwsbrief bereikt. Top! Als je mijn berichten een like geeft bereik ik meer mensen met mijn nieuwsbrief. Nog leuker!
Dit vaker in je inbox ontvangen?
Hier enthousiast over?
Eerdere nieuwsbrieven












Interessante conclusies over YouTube. Ik kijk eigenlijk alleen nog maar YouTube op mn tv-scherm en merk dat het me heel veel oplevert qua informatievoorziening op een alternatieve manier. Bv door reisvlogs van mensen die naar 'moeilijke landen' gaan en minidocu's. Ik heb afgelopen jaar een scriptie geschreven over nieuwsconsumptie via YT door Gen Z. Het is zó anders dan tv kijken, fascinerend. Ook de waarde van comments als een soort ingebouwd 'wederhoor' is interessant.